Transcription
mr J.H.Drost
Lid Raad van Bestuur van Heineke NV.
Tweede Wteringsplantsoen 21,
1017 ZD Amsterdam.
Utrecht, 13 juli 1995.
punchlines:
1) Guilty ! Twelve months in Provence.
2) This your bouquet garni speaking.
Hans,
als consumabel 1964/65 van de "O, deksels mooie kroeg" weet ik een "drie gangen" lunch met koffie na in goed gezelschap te waarderen en vraag mij af of één bedankbrief wel voldoende zou zijn. Zie hier een tweede blijk van waardering in briefvorm. De waardering komt jou toe al was het maar voor het "maintien", dat je moet ophouden, dat er niets gaat boven een goede lunch, terwijl je besloten hebt kilo's af te vallen om het adjectief in: "Dikke Drost" kwijt te raken. Geestelijk voedsel kan geen kwaad. "Food for thoughts" verruimt inzicht. Hoe een gast door Heineke ontvangen wordt, weet ik nu. Hoe een gast behandeld werd op één van de laatste tochten per zeilschip naar Indië," sluit ik voor je in per separate kopie. Het is de enige leesbare bladzijde uit een overigens dood-saaie biografie van Anthonie van Hoboken; pour t'amuser.
Genoeg geschreven.
Als bladvulling een cartoon uit "The NewYorker."
Het gepast afmeten van drank per glas, blijf ik voor pleiten, alhoewel het ten koste gaat van de omzet.
"Ich denke an dich" aan je zelve opgelegde "Ramadan."
Volgens de dierenarts Onno Verhorst is een "Goede Haan " niet vet.
En dat is immers toch altijd wat we willen zijn: Een Goede Haan !!
Je groetend, Aad D. Dirkzwager
citaat
hij nauwelijks bewegingsruimte had. lemand, die gewend was op vaste tijdstippen van
de dag koffie of thee te drinken, moest ontberingen lijden. Dat vond hij althans: 'Want
niet altijd is er gelegenheid om deze dranken machtig te worden'. Bij de ochtend koffie
van elf uur -'waarbij echter dikwerf ook de geitenmelk ontbrak'- werd een beschuit
met enkele dunne stukjes worst geserveerd. Het middagmaal noemde hij niet zo goed
als op andere Indië-schepen. Van de Sande had kennelijk eerder op één of meer
buitenlandse schepen gevaren en was dus in staat te vergelijken; de maaltijden
beschouwde hij toch echter meestal als 'zeer voldoende'. Soep was er niet elke
middag, maar slechts driemaal in de week. In het begin van de reis werd er elke
middag vers rund- en kalfsvlees gegeten, 'hetwelk aan de masten onder het want bij de
afvaart opgehangen is, en het eerst, als aan bederf onderhevig, moet genuttigd
worden'. Als de verse voorraad was gebruikt, kreeg men 'alleriei gedroogde en ingelegde groenten, gerookt en ook gezouten vleesch, en ook veel gebraden ganzen of
eenden; wordende de hoenders meest in de soep gebruikt'. Elke zaterdag werd er een
varken geslacht, waarvan de lever, nieren en de tong de volgende ochtend voor het
ontbijt werden gebraden -'eene lekkernij, welke vele liefhebbers vond'. Meelij had
Van de Sande met de soldaten en de matrozen, die alle bijzondere lekkernijen
'moesten ontberen'. De passagiers konden zoveel drinkwater krijgen als ze wilden,
maar ze mochten daar niets van aan het scheepsvolk geven. Eigen versnaperingen
mochten wel worden uitgedeeld, behalve jenever.
Op de avond van de eerste dag op zee stampte het fregat geweldig. De benedendeks
nog niet vastgebonden tafels en banken en de talloze kisten en koffers van de passagiers werden heen en weer gesmeten. Door de geopende deur kwam 'een buitengemeen groote golf een visite in de kerk brengen, zoodat in een ommezien van tijd alle
goederen met zeewater besproeid waren'. Het merendeel van de passagiers was zeeziek. De volgende ochtend: 'Bovendeks zag men het dartel juichende scheepsvolk,
met de woeste, schuimende baren den spot drijven, en al zingende den wankelenden
mast beklimmen. Onder in het schip vond men de arme passagiers in duizend
angsten, die onwillekeurig verdubbelden bij ieder bevel, hetwelk boven hun hoofden,
met een donderende stem, en niet zelden volgens scheepsgewoonte van eenige krachtige vloeken vergezeld, uitgesproken werd'.
Het bleef een paar dagen stormen en dat was helemaal niet naar de zin van kapitein
Schinkel. Tijdens een van de avondmaaltijden vertelde hij aan tafel dat de tegenwind
zeer sterk was en de situatie niet opbeurend. Van de Sande legde vast wat hij hoorde:
"Wel, wij komen weldra in de engte van het Kanaal, en de wind is hevig en vlak tegen.
Daar moeten wij ieder oogenblik over stag -als de zeilen het houden is het goed;
doch breken die en de noodzeilen, dan zijn wij in het grootste gevaar van op de
banken vergruisd te worden, en wij zijn zonder redding naar de maan. Daarom kruipe
een ieder maar spoedig in zijn kooi, en trachte in te slapen, op dat hij, wanneer wij
toch vergaan moeten, voor het minst slapende in de andere wereld arriveere."
De passagiers waren onthutst en Van de Sande vroeg de kapitein even later, onder
vier ogen, méër te vertellen. Schinkel gaf hem raad en zei .. "zoo ga in uwe hut, steek
uw goud en kostbaarheden en alle papieren van gewigt bij u, en kom dan weder aan
dek. Men kan nimmer weten, wat er gebeurt. Breken de drie noodzeilen, die straks
voor ons aan dek gehaald worden, dan zijn wij verloren. Zeilen moeten wij, of het
schip gaat naar den duivel. En is alle hoop op deszelfs behoud verloren- en natuurlijk
niet eerder - dan springt hij, die aan dek is, achter in de boot, en men zoekt op die
wijze zijn leven nog te redden. Daarom blijf hier boven voor dezen nacht, maar doe
vooraf wat ik u gezegd heb, en breng bovendien eene flesch Schiedammer mede, als
een hartsterking voor de koortsachtige rillingen, welke en de nachtlucht en de schrik
u op het lijf kunnen jagen." Van de Sande vroeg of hij ook zijn hutgenoot moest waar
schuwen, maar de kapitein verbood hem dat. En zei: "Allen kunnen niet gered
worden, wanneer het dreigende ongeluk ons treffen mogt- in dat geval zorge elk
alleen voor zich zelven: dit is pligt, Wordt de boot, die slechts weinige personen bevatten kan, al te vol gepropt met menschen, dan zijn wij allen verloren, Laat dus slapen
wie slapen wil — en laat God voor het overige zorgen." Einde citaat.