2012-04-04 Brief naar Bisschop Bar in Chevetogne.

Name/Title

2012-04-04 Brief naar Bisschop Bar in Chevetogne.

Transcription

A.D. Dirkzwager Keizersgracht 702, 1017 EV Amstedam. Monseigneur P.R. Bär, "Monastaire Bénedictine" Chevetogne. België. Amsterdam, 4 april 2012 Beste Ronald, het is weer enige tijd geleden dat ik je een teken van leven heb gestuurd. "A letter is a joye of Earth... it is denied the Gods." Emily Dickinson (1830-1886) Gisteren zijn we naar één van. de vele uitvoeringen van de Mattheus Passion van J.S. Bach (1685-1750). Een indrukwekkend verhaal van verraad en veroordeling van een onschuldige. Om te sterven voor de zondigen op de wereld verhoogd de dramatiek. Indrukwekkend vind ik ook de redenering aan omme zijde. Beide visies kunnen toch naast elkaar beleden worden? Ik verneem dat onze goede vrienden Just -en Elliberth Barth morgen de Paasviering in Chevetogne zullen bijwonen. Ik geef ze deze enveloppe met mijn "impromptu" mee + un petit cadeau: "Bij de Paus aan tafel." Veel aan jou denkend en ook voor jou geldt: "Si iubet sors defendimus." Aad Dirkzwager Citaat. Nietzsche probeert het verschil tussen de ervaarbare wereld en het wezen van de wereld (i.e. de keerzijde van onze voorstellingen m.a.w. de spirituele wereld) te laten rusten om zich op de empirische ontstaansgeschiedenis van het denken te storten. In de lange geschiedenis hebben de mensen uit ontelbare ogen naar de wereld gekeken en er handelend in opgetreden met hartstocht, fantasie, moraal en kennis. Daardoor is de wereld de onze geworden, wonderlijk bont, verschrikkelijk diepzinnig en bezield. Zij heeft kleur gekregen en uiteraard zijn wij, mensen, zelf degenen die deze kleur hebben aangebracht. Wat wij thans de wereld noemen is het resultaat van een hoop dwalingen en fantasieën, die in heel de ontwikkeling van de organische wezens geleidelijk zijn ontstaan en met elkaar zijn vergroeid en die thans als de opgetaste schat van heel het verleden aan ons worden overgeërfd- als schat: want de waarde van ons mensdom berust daarop. In de grote voorgeschiedenis van de mensheid werd de geest overal voorondersteld en dacht men er niet aan deze als voorrecht van de mens te eren. Omdat men het geestelijke tot gemeengoed van de natuur had gemaakt, schaamde men zich er niet voor van dieren, bomen of stenen af te stammen. De voorstelling van een bezielde natuur en de alom tegenwoordigheid van de geest was geen oprekking van het menselijke zelfbewustzijn, maar een uitdrukking van bescheidenheid. Men zag in de geest dat wat ons met de natuur verbindt, niet wat ons van haar onderscheidt. Zo leerde men bescheidenheid. Het is niet onbescheiden naar de natuur te kijken in de veronderstelling dat de natuur terug kijkt. In iemand, die deze terugblik van de natuur opvangt, vindt de ontmoeting het ontsprongene (de mens vlg.ADD) met zijn oorsprong plaats. Wie naar de oorsprong zoekt omdat hij daar waarheid vermoedt, wil kennen wat hem tot kennen in staat stelt. De oorsprong, wat is dat anders dan de ervaring dat kennen betekent: gekend zijn. Het grote oog van de natuur dat mij ziet, haar zin die mij draagt, deze levende wereld die ik teruggeef en terugspiegel wat zij mij heeft toevertrouwd en voorgespiegeld, zij is de oorsprong, waaruit ik ontspring en waaraan ik toch niet kan ontkomen. Dit kennen waarvoor het vanzelf spreekt dat de natuur vergeestelijkt en bezield is, heeft zich nog niet over zichzelf gebogen. Het is een kennen dat als het ware onbevangen op uitgaat en in de natuur ontdekt wat op hem gelijkt. Als kennend wezen heeft de mens de goden verzonnen, voor wie hij oog krijgt doordat hij voelt dat hij bij hen in het oog loopt. De goden vormen een ideaal beeld van een natuur die terugkijkt als je haar aankijkt. Uit: 'Nietzsche, een biografie van zijn denken.' van Rüdiger Safranski

Update Date

September 12, 2026