2005-04-05 Verslag van Ab over zijn vader Arij

Name/Title

2005-04-05 Verslag van Ab over zijn vader Arij

Transcription

Mijn vader Arij Dirkzwager (31 maart 1873-31 december 1954) Herinneringen d.d. 05-04-2005 van Albert Dirkzwager ( geb.27 maart 1915) Mijn grootvader Adrianus overleed i 1895 Hij liet drie kinderen na Cornelis in de leeftijd van 34 jaar Maarten in de leeftijd van 33 jaar Arij in de leeftijd van 22 jaar In 1879 toen Cornelis en Maarten de distilleerderij oprichtte, waren zij respectievelijk 18 -en 17 jaar oud. Mijn vader Arij was toen 6 jaar. Mijn vader sprak nauwelijks over zijn leven. ook heeft hij geen enkel document nagelaten. De anno 2005 constructie van zijn leven en zijn verhouding tot de familie is gebaseerd op overleveringen en uit gevolgtrekkingen. Uit het leeftijdsverschil van meer dan 10 jaar met zijn browers valt te concluderen dat hij een jeugd heeft gehad afzonderlijk van zijn oudere broers. Hoe groot de erfenis van vader Adrianus is geweest en wat een ieder van de kinderen erfden, is mij niet bekend. Wellicht waren Cornelis en Maarten al maatschappelijk gevestigd met hun distilleerderij, zodat zij hun broertje Arij de 'branderij' konden toebedelen. Ik denk dat Arij al vroeg afwijkend gedrag vertoonde. De door en door degelijke Cornelis en Maarten zouden zeker broer Arij te flamboyant gevonden hebben. Arij was gemeenteraadslid van Schiedam. Hij speelde cricket bij Hermes. Hij was officier bij de Schutterij en wat niet meer. Op deze manier in het leven staand werd zijn gedrag zeer zeker als afwijkend beschouwd van de door en door burgerlijke levensbeschouwing van de broers. Cornelis en Maarten hadden, mijns inziens, een sterk familiegevoel en weinig contact met de andere bewoners van de stad. contact. Toen Arij, die lid was van de Rotterdamse Roei -en Zeilvereniging: "de Maas", samen met Guus Laverge het zeiljacht "de Sapho" kocht, moeten dat Cornelis en Maarten dat ook niet erg op prijs gesteld hebben. Een anekdote van mijn vader uit die jaren heriiner ik mij nog. Hij moest zijn zusters Nel en Marie chaperonneren tijdens een vakantie in een hotel aan de Rijn in Duitsland. Bij het vertrek uit het hotel gaf hij de portier als fooi een gouden munt. De ontvanger van de munt zei: "Danke vielmahls, Herr Graf." Wellicht dit een man uit het "Fin de Siècle" epoch. Mijn vader met slobkousen met een goeden horlogeketting op zijn buik en met een bolhoed, zo herinner ik mij hem het levendigst. Van zijn eerste huwelijk getrouwd met Hendrika Jacoba Dammerman in 1903 is mij nauwelijks iets bekend. Hij heeft met zijn Hendrika Jacoba en drie kinderen, vanwege gezondheidsredenen, van Hendrika, in de Johan van Oldebarneveltlaan in Den Haag gewoond. Hoe het hem zakelijk met zijn branderij(en) in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog verging, wederom weert ik daar niets van. Op één februari 1912 stief zijn eerste vrouw. Op 8 oktober 1914 trad de 41 jarige Arij voor de tweede maal in het huwelijk met de 24 jarige Theodora Elisabeth Hoffman. Hij trouwde met mijn moeder, die in het gezin de kinderjuffrouw was en op haar trouwdag vijf maanden zwanger was. Het pleit voor hem dat hij zich niet van de zwangere Theodora heeft afgewend. In ieder geval werd het huwelij in 1914 een 'uitglijer. van jewelste in maatschappelijk opzicht. Dze "faux pas" kon de toenmalige klasse, waarin Arij verkeerde, niet aanvaarden en na achteraf blijkt, was mijn vader niet meer reçu in de Schiedamse tak van de familie. De familie in Maassluis was reeds lang boven dit burgerlijke niveau uitgestegen. Zij hebben de band met mijn ouders, vanwege de ongewenste zwangerschap, niet verbroken. Integendeel, Andries Dirkzwager was getuige in het huwelijk van Arij met Theodora. Maar hier houdt mijn ontzag, dat je voor een vader moet hebben , op/ Mijn vader stuurde mijn moeder alleen het pad op om haar zwangerschap aan de familie Dirkzwager mede te delen.. Deze houding van mijn vader heb ik als de rode draad door zijn leven zien lopen. Zo liet hij de leiding van het gezin aam mijn moeder over, die daarvoor niet geëquipeerd was. Zij moest nu de zorg op zich nemen van de drie kinderen uit het eerste huwelijk, te weten: Paula, Suze en Janus, die later alle drie hoger opgeleid waren dan zijzelf was. Uit haar eigen huwelijk met Arij werden nog eens drie kinderen geboren, te weten: ikzelf Albert, mijn zusjwe Louise en mijn jongst broer Ted. Eeenhn ontmenselijke taak voor Theodora om dit zestal te begeleiden en op te voeden zonder de steun van haar man. Ondertussen leverden de Schiedamse Dirkzwagers slag met het platselijke Rooms Katholieke Patriciaat om zich een positie te verwerven als jeneverproducent. Deze RK families hadden Schiedam al; twee eeuwen eerder tot het centrum van de vaderlandse jenever-industrie verheven. Zoals eerder vermeld, werd er over het reilen en zeilen van mijn vader's zakelijke activiteiten nimmer gesproken. Ik heb begrepen dat in 1916 de regering branderijen verbood om alcohol uit graan te stoken. Al het beschikbare graan moest tot meel gemalen worden om broden van te bakken. Tezelfdertijd had van Marken's Nederlandse Gist en spiritus fabriek in Delft de productie van alcohol uit melasse (van suikerbieten) mogelijk gemaakt. Sindsdien wordt de Nederlandse jenever-industrie voor het merendeel van alcohol voorzien vanuit Delft. De eigenaren van inmiddels overbodige branderijen bezaten een grote hoeveelheid koper, die zij tegen woeker prijzen aan de oorlogvoerende naties verkochten. Mijn vader was toen dus een vermogend man. Wat ik, als klein jochie, daarvan merkte was, dat wij twee achtereen volgende jaren een maand lang met het hele gezin in een gedeeltelijk afgehuurd hotel Brittania te Vlissingen logeerden. De koffers en de oudste kinderen vertrokken dan met het bergingsvaartuig "de Haai" van Dirkzwager's Scheepsagenturen vanaf onze achtertuin in Schiedam naar Vlissingen. Zelf moest ik. onder begeleiding van juf, met de trein naat Zeeland. Hoe belegde Arij zijn vermogen? Ik vermoed te weten dat Arij geïnvesteerd had in de bruinkoolmijn "De Herman" te Eijgelshoven. De overheid zou met deze mijn een contractuele afname-verplichting overeengekomen zijn. In 1918 pleegde de overheid contractbreuk met als gevolg een jarenlange procesgang. In deze rechtsgang is de bruinkolenmijn bijgestaan door de advocaat C.P.M. Romme, de latere prominente voorman van de K.V.P. In de "Romme Biografie (1896-1946)" uit 1992 van J.Bosmans heb ik niets Volgens een opmerking van mijn vader heeft de advocaat Romme schatten verdiend aan dit proces, niettemin werd het proces dat de bruinkoolmijn "De Herman" aanspande tegen de Staat verloren. Behalve in de bruinkoolmijn, investeerde Arij in een visconservenfabriek in dde "Gorzen"van Schiedam, in een snoepfabrkiek van Karis en in een advertentiebureau in de Witte de Withstraat te Rotterdam. Alles lijkt mislukt te zijn en hij werd ca 1925/26 failliet verklaard. Ene Zoetmulder uit Schiedam zou één van de aanvragers van zijn faillissement geweest te zijn. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Arij's broer Maarten Arij financieel bijgestaan met een maandelijkse toelage van NLG 275,- om hem en zijn gezin voor verdere narigheden te behoeden, met als consequentie dat zij moesten verhuizen uit Schiedam. Mijn moeder Theodora werd erop uitgestuurd om een andere huisvesting te vinden. Zonder de steun van mijn vader locht zij een huis in Voorburg, dat naar alle waarschijnlijkheid door oom Maarten werd gefinancierd. Ik vermoed dat dit huis al in 1924 gekocht is. Mijn vader Arij was toen 51 jaar en hij heeft tot aan zijn overlijden op 81 jarige leeftijd in 1954 niet meer gewerkt. Ook de toen nog thuiswonende kinderen liet hij, wat de opvoeding betreft, geheel aan mijn moeder over. NIet onvermeld kan blijven dat vader Arij ook een bijdrage in positieve zin leverde aan het gezinsleven. Hij was een causeur. Tijdens de maaltijden, die strikt o12 uur 's-middags en om zes uur 's-avonds plaatsvonden, werden er door hem uitgebreid tafelgesprekken gevoerd over onderwerpen zoals religie, politiek, en het wereldgebeuren in het algemeen. Echter het contact met de Schiedamse Dirkzwagers was voorgoed verbroken. Ariij had nog wel vontacht met zijn zusters Nel en Marie aan't Frankenslag in Den Haag waar latermijn tante Suze woonde. En oom Leen (L.F.H.) kwam gereld in zijn 'Minerva' met chauffeur op bezoek. Mijn twee half zusters (van de eerste echt van Arij) hebben op eigen kracht hun weg gevonden. Paula (geb.1904) heeft enige jaren het gymnasium te Schiedam bezocht en daarna de Godelinde School. Vervolgens is zij toegelaten tot de verpleegstersopleiding van het Juliana Kinderziekenhuis aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag. Om daar aangenomen te worden moest je wel van goede familie zijn. Zij, die tijdens de opleiding hun lange haar volgens de toen veranderde mode lieten afknippen (' bobbed hair'), werden van de opleiding verwijderd, zoals een meisje van Heek was overkomen. Paula heeft met een groot plichtsbesef haar verpleegstersbaan als haar levensvervulling beschouwd. Suzanna Maria (geb.1906) volgde, na haar eindexamen aan het Gymnasium te Schiedam, een opleiding voor scheikundig laborante. Zij heeft indertijd an de wieg gestaan van het laboratorium van de zuivelproducent Nutricia in Zoetermeer als laborante. Zij trouwt in 1934 met Hans Poortenaar, huisarts. Adrianus Hendrik Jacob (geb.1907)was mijn halfbroer uit de eerste echt van mijn vader. Hij had als roepnaam "Janus." Als jongeman was ie "un beau garçon", getalenteerd en intelligent. Hijkon prachtig pianospelen en richtte met zijn buurman Coen van Bergen Walraven een bandje op. Hij was een redelijk goede tennisser op clubniveau. Hij speelde bij de Protestante tennisclub Daalmeijer. Als gevolg van de confessionele verzuiling der maatschappij van die dagen in Schiedam was het Janus tot zijn spijt niet toegestaan om met de goed-spelende en mooie RK-meisjes Nolet en Jansen en anderen te tennissen. Ook was hij zeer belezen en geïnteresseerd in poëzie en literatuur. Ter illustratie, ik (Albert), die acht jaar jonger was dan Janus, kreeg van hem de dichtbundel "Narrenwijsheid" van J.C. van Schagen cadeau. Dat was de eerste gedichtenbundel van J.C.van Schagen. Janus had geen belangstelling voor het vergaren van schoolse kennis. Hij heeft zijn middelbare schoolopleiding niet afgemaakt. Tweemaal ondernam hij een poging om zich te veatigen in respectievelijk Venezuela en in de Verenigde Staten, maar keerde onverreichter zake weer terug in Nederland. In 1939 trouwde hij met Aagje Mak. In de militaire diensttijd constateerde men communistische sympathieën bij hem en is daarvoor gestraft met een arrest in de gevangenis van de Morspoort-kazerne in Leiden. Als jongetje bracht ik weel eens op zondag der arrestant een pakketje van thuis. Aan het beging van de Tweede Wereldoorlog was Janus gelegerd bij het vliegveld Ypenburg. Hij heeft deelgenomen aan de felle strijd ter verdediging van het vliegveld tegen de Duitse overmacht. Wellicht mede door de Duitse bezetting van het Vaderland is Janus, tot het einde van zijn leven (1983), bekeerd in een felle Oranje klant. In Nederland heeft Janus zich in zijn levensonderhoud voorzien door aan -en verkoop van koffie en thee. Als jongetje heb ik natuurlijk geen notie gehad van de slechte verstandhouding, die er bestond tussen mijn vader en zijn broers. Ik kwam wel af en toe bijoom Cees en tante na thuis om er met het imponerende miniatuur voertuigenpark met sleperswagens voor het vervoer van tonnen met alcohol en met de wagens van 'van Gend en Loo' te spelen. Bij tante Rie was ik kind aan huis, ook vanwege het feit dat ik met Marian in dezelfde schoolklas zat. Haar broer Dirk Primus (geb.1912) was driejaar ouder dan ik (Albert) las alleen maar boeken, herinner ik mij. In een later stadium van mijn leven, toen ik naar Inië zou gaan, heb ikCees en Ina ook aan de warande bezocht. Ina heeft nog per brief met ons contact gehouden in Indië. Terugziend, concludeer ik dat het niet de eeuw van mijn vader was, maar die van mijn moeder. Mijn moeder kwam uit een Haags arbeidersgezin. Vagelijk meen ik te weten dat haar vader een rol hadin de opkomende arbeidersbeweging. Haar zuster trouwde met de distillateur Philip Christiaan van der Pant (1877-1951), die aan de Lange Haven in Schiedam woonden. Hun dochter was de bekende beeldhouwster Theresia van der Pant (1924-2013). een andere zuster van Theodora trouwde met dr ir Japiksem die verbonden was aan de Octrooiraad in Den Haag. Na het overlijden van mijn vader in 1954 kon mijn moeder haar eigen leven gaan leiden. Zij sloeg haar eigen vleugels uit en stapte op haar 64ste jaar voor het eerst in een vliegtuig om haar zoon Ted en zijn vrouw Maddy in California te bezoeken. Zij heeft op hoge leeftijd tweemaal zelfstandig de wintermaanden in Spanje doorgebracht. Ook heeft zij nog Egypte bezocht, waar zij is gefotografeerd zittend op een kameel. Ik besluit deze herinneringen op papier met te bekennen, dat wanneer ik aan mijn moeder denk, ik met grote bewondering aan haar terugdenk. Albert Dirkzwager

Update Date

November 18, 2025