1974-09-22 Brief aan Bisschop Bär

Ronald Bär (1929) studeerde Theologie aan de Universiteit van Utrecht. Hij is geboren in Ned.Indië en heeft in het Jappenkamp als kind gezeten. Bär heeft in zijn studententijd in Utrecht in de Zuilenstraat 17 gewoond. Zo ook ADD. De protestant Bär is in de Katholieke Orde van de Benedictijnen binnengetreden na zijn Theologie studie in Utrecht.

In de polemische briefwisseling met zijn Excellentie Mgr Jansen stipuleert Mr A.Dirkzwager dat mgr Jansen door zijn benoeming tot bisschop in Rotterdam in vreemde staatsdienst is getreden (Vaticaanse Staat) en derhalve zijn kiesrecht in Nederland heeft verloren.

Ronald Bär (1929) studeerde Theologie aan de Universiteit van Utrecht. Hij is geboren in Ned.Indië en heeft in het Jappenkamp als kind gezeten. Bär heeft in zijn studententijd in Utrecht in de Zuilenstraat 17 gewoond. Zo ook ADD. De protestant Bär is in de Katholieke Orde van de Benedictijnen binnengetreden na zijn Theologie studie in Utrecht. In de polemische briefwisseling met zijn Excellentie Mgr Jansen stipuleert Mr A.Dirkzwager dat mgr Jansen door zijn benoeming tot bisschop in Rotterdam in vreemde staatsdienst is getreden (Vaticaanse Staat) en derhalve zijn kiesrecht in Nederland heeft verloren.

Name/Title

1974-09-22 Brief aan Bisschop Bär

Description

Brief aan Bisschop Bär + standpuntenwisseling Janus Dirkzwager met monseigneur Jansen.

Transcription

De Weledelgestrenge Heer R.Bar Dienst R.K.Geestelijke Verzorging bij de Koninklijke Luchtmacht Hoofdluchtmachtaalmoezenier Bronovolaan 42 DEN HAAG 22 november 1974 Beste Bar, Ik apprecieer ten zeerste dat je je zeer kostbaar toegemeten vrije tijd ook nog aan de missie wilt wijden door je bereidverklaring om met mij te gaan lunchen. Het spreekt vanzelf dat ik dit "offer" gaarne had willen brengen aan de moederkerk, waar jij het orgaan (in juridischezin) van bent, naar ik aanneem. Echter, mijn emigratie naar Nigeria, wordt nu weken bespoedigd en zal plaatsvinden eerste helft december 1974. Het contact zullen wij slechts in geschrift kunnen continueren, indien dat op prijs wordt gesteld. Ik wil niet nalaten de juridische strijd (met een religieuze) die een achteroom gevoerd heeft, met betrekking tot de nieuw benoemde bisschop in Rotterdam, in te sluiten. De polemiek is niet oninteressant, de ijdeltuit heeft de briefwisseling voor intimi in druk uitgegeven. Ik hoop dat je de visie van scheiding tussen kerk en Staat die hier aan ten grondslag ligt, weet te savoureren. Benieuwd naar je commentaar, die je dan naar Nigeria zal moeten sturen. Enveloppen van het Ministerie van Defensie worden daar gecensureerd. Adieu A.D. Dirkzwager Bijilage: o.s.m. DE POSITIE VAN DE R.K. BISSCHOPPEN IN NEDERLAND Art. 7 lid 1 sub 4 van de Wet op het Nederlanderschap en de R.K. bisschoppen Rotterdam, 17 maart 1956. Mr. A. Dirkzwager, Kralingse Plaslaan 10. Zijne Hoogwaardige Excellentie Mgr. M. A. Jansen, Benoemd Bisschop van Rotterdam, p/a Parochie H. Lodewijk, Leiden. Monseigneur, Uit de dagbladen kennisnemende van Uw benoeming tot bisschop van Rotterdam en U daarmede - hoewel zelf niet van Uw confessie zijnde — gelukwensende, vraag ik, als staatsburger, Uw opmerkzaamheid voor een aangelegenheid van publiek recht, welke ik van zodanig gewicht acht, dat ik het mijn burgerplicht acht te voorkomen dat die, door welke omstandigheid dan ook, niet ter sprake zou komen. Het betreft in casu de toepassing van, art. 7 eerste lid, sub 4 van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892, staatsblad no. 268, alwaar wordt bepaald, dåt het Nederlanderschap wordt verloren door zonder verlof van de Kroon zich te begeven in vreemde krijgs- of staatsdienst. Naar mijn mening - vertrouwend, dat zij ook de Uwe zal kunnen worden, is deze bepaling thans van actuele betekenis voor Uwe Hoogwaardige Excellentie. Sedert het Tractaat van Lateranen van 1929 is Zijne Heiligheid de Paus mede hoofd en monarch van de Vaticaanse Staat, en een niet gering deel van zijn gezag, préseance en bescherming met betrekking tot andersgelovenden in het bijzonder en tot het wereldlijke leven in het algemeen, geniet hij juist als wereldlijk vorst. Hij kent evenwel geen scheiding tussen Kerk en Staat. Van een personele Unie is dan ook geen sprake en scheiding van functies en van financiën tussen de R.K. kerk en de Vaticaanse Staatbestaat dan ook niet en is ook niet bestaanbbaar te maken. Het vijfjaarlijkse bezoek, door Uwe Hoogwaardige Excellentie aan het Vaticaan te brengen om aldaar verslag te doen van de wijze, waarop U Uw Bisdom, zowel in geestelijke als in tijdelijke zaken, volgens de normen van het Canonieke recht hebt bestuurd, alsmede van de toestanden in Uw diocees, is dan ook noodwendig mede een bezoek aan het staatshoofd tot wien uwe Hoogwaardige Excellentie in een disciplinaire gezagsverhouding staat. Uw benoeming tot Bisschop van Rotterdam dient dan ook tevens te worden gekwalificeerd als een treden van U, als Nederlander, in vreemde staatsdienst en zal noodzakelijkerwijze mede brengen het verlies van Uw Nederlanderschap, tenzij U aan Hare Majesteit de Koningin zoudt verlof vragen (en dit krijgen) die benoeming te aanvaarden. Tot goed begrip wil ik hier vaststellen, dat het naar mijn mening ten deze niet gaat om collisie van rechtssferen, noch om een verlegging van de klemtoon. Ik houd mij ervan overtuigd, dat de Kroon Uwe Hoogwaardige Excellentie ongetwijfeld het door U gevraagde verlof zal verlenen, zoals ik er tevens van overtuigd ben, dat dit verlof slechts van ondergeschikte betekenis is in het totaal der formaliteiten met betrekking tot Uw benoeming. Doch dit alles kan slechts een argument te meer zijn om Uwe Hoogwaardige Excellentie in overweging te geven art. 7 eerste lid sub 4 van de Wet van 1892 niet over het hoofd te zien, waaraan ik dan nog wil koppelen een verwijzing naar art. 76, tweede lid, van de grondwet, waarin wordt bepaald, dat Nederlanders bijzonder verlof van de Kroon nodig hebben voor het aannemen van vreemde ordetekenen, titels, rang of waardigheid. Het is mij, en vele anderen in den lande, niet ontgaan, dat het episcopaat in Nederland ook voor de wereldlijke toestanden in de kerkprovincie Nederland grote belangstelling heeft. Dat de mogelijkheid van gewetensverzet bij groepen onzer bevolking- te ener zo goed als te anderer zijde - in cas van collisie tussen de wetgeving van de Nederlandse en die van de Vaticaanse Staat reëel aanwezig is, kan ik, als van algemene bekendheid, aannemen. Nu ik mag aannemen - en hoop - dat het in de bedoeling van Uwe Hoogwaardige Excellentie ligt de uitoefening van het ambt van Bisschop te paren aan behoud van Uw Nederlanderschap, en het vragen van het verlof van de Kroon als bovenvermeld geen collisie van plichten betekent, die U tot het doen ener keuze zou nopen, ben ik ervan overtuigd, dat grote groepen der Nederlandse bevolking het zullen waarderen, indien Uwe Hoogwaardige Excellentie zou besluiten het ene te doen zonder het andere te laten. Mocht evenwel het bovenstaande, zo al nodig, U niet hebben overtuigd, en mocht U dus besluiten Uwerzijds aan Hare Majesteit de Koningin geen verlof te vragen Uw hoge en verantwoordelijke ambt te aanvaarden, breng ik reeds nu voor alsdan als mijn juridische overtuiging te Uwer kennis, dat het Nederlanderschap voor Uwe Hoogwaardige Excellentie zal zijn verloren gegaan. In dat geval zult U het van mij, als Rechter in de arrondissements-rechtbank te Rotterdam en als zodanig belast met de handhaving van de rechtsorde en de toepassing van de landswetten, niet onredelijk achten, indien ik zou besluiten gebruik te maken van de rechten, die de wet mij als kiezer verschaft, indien Uwe Hoogwaardige Excellentie het Nederlanderschap verloren zal hebben. Dit is het recht, dat art. D7 van de Kieswet van 13 juli 1951, staatsblad no. 290, aan iedere kiezer geeft om zich bij Burgemeester en Wethouders van zijn woonplaats te verzetten tegen de plaatsing op de kiezerslijst van hen, die geen Nederlander zijn. Ik deel U dit, mijn voornemen mede, teneinde bij te dragen tot Uw overtuiging van welke grote betekenis het toepassen van de Nederlandse wet voor mij, en velen met mij, is. Nochtans ben ik vatbaar voor overreding: indien Uwe Hoogwaardige Excellentie mocht besluiten het door mij bedoelde verlof van de Kroon niet aan te vragen, dan zal Uw uiteenzetting van de redenen daarvan door mij op prijs gesteld worden en mogelijk zullen die mij overtuigen en dus weerhouden van het nemen van de stappen, in de vorige alinea genoemd. Hoogachtend, A. DIRKZWAGER. De Weledelgestrenge Heer Mr. A. Dirkzwager, Kralingse Plaslaan 10, Rotterdam. Weledelgestrenge Heer, Uw schrijven dd. 17 dezer, heeft mij aanleiding gegeven omtrent de daarin aan de orde gestelde kwestie advies in le winnen bij de rechtskundige adviseur van het bisdom. Deze gaf als zijn mening te kennen, dat U z.i. ten onrechte in Uw schrijven uitgaat van de veronderstelling, dat het aanvaarden van het bisschopsambt gelijk zou staan met het zich begeven in vreemde staatsdienst. Het bisschopsambt is een zuiver kerkelijk ambt en heeft niets uit te staan met het bestuur van de Vaticaanse Staat. Dit ambt brengt dan ook geen enkele bemoeienis mee met dit bestuur en schept dan ook geen enkele aansprakelijkheid ten opzichte van dit bestuur. De gezagsverhouding waarin de bisschop t.o.v. de Paus van Rome staat, betreft hem dan ook uitsluitend als hoofd van de rooms-katholieke kerk. Ook al zou het juist zijn, dat de Paus voor een niet gering deel zijn gezag en bescherming met betrekking tot de andersgelovenden in het bijzonder en tot het wereldlijk leven in het algemeen geniet juist als wereldlijk vorst, zoals U schrijft, dan doet dit nog niets af aan het zuiver kerkelijk karakter van het bisschoppelijk. Wij mogen U er ten overvloede op wijzen, dat sedert het herstel van de Vaticaanse Staat in 1919, door de Paus 6 bisschoppen in Nederland zijn aangesteld, o.w. Z.Em. Kardinaal de Jong. Omtrent geen van deze is er, voor zover mij bekend, ooit kwestie geweest of zij door de aanvaarding van hun ambt hun Nederlanderschap zouden hebben verloren. Ook het herstel van de kerkelijke hiërarchie in 1853, hetgeen aanleiding was tot de befaamde aprilbeweging, heeft niet geleid tot de opvatting, dat voor het aanvaarden van het bisschoppelijk ambt het verlof nodig zou zijn van de Kroon, terwijl op dat tijdstip de Paus toch soeverein was van de Pauselijke Staat en art. 9, 2e lid van het B.W. toen een gelijke bepaling bevatte als die welke sedert 1892 is vervat in art. 7 sub 4 van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, op straffe van het verlies van het Nederlanderschap. Ook de Wet op de regeling en het toezicht op de onderscheiden kerkgenootschappen van 10 september 1853 (stbl. no. 102), waarin naar aanleiding van het herstel van de hiërarchie de verhouding tot de kerkgenootschappen werd geregeld, legt aan de hoofden der kerkgenootschappen, hetgeen kennelijk betrekking heeft op de bisschoppen van het R.K. kerkgenootschap, bij de aanvaarding van hun ambt in art. 5 slechts de verplichting op de koninklijke goedkeuring te vragen op de plaats van vestiging. Dit komt geheel overeen met de staatsrechtelijke opvatting van die tijd, welke ook thans nog. de algemeen aanvaarde is, volgens welke de eis van een koninklijk verlof voor de aanvaarding van het bisschoppelijk ambt in strijd is met het beginsel van scheiding van Kerk en Staat. Ik ben dan ook vooralsnog van mening, dat er geen aanleiding is van de sedert dien gevestigde traditie en de heden ten dage nog algemeen geldende opvatting af te wijken. Onder betuiging van mijn erkentelijkheid voor Uw aanwijzing, verblijf ik, hoogachtend, Uw dw. dr. w.g. M. A. Jansen, Ep. elect. Rot. benoemd bisschop van Rotterdam. Zoeterwoudsesingel 33.Leiden, 27 maart 1956 Mr. A. Dirkzwager, Kralingse Plaslaan 10, Rotterdam-O. Aan Burgemeester en Wethouders Rotterdam. De ondergetekende, Mr. A. Dirkzwager, wonende te Rotterdam aan de Kralingse Plaslaan no. 10, deelt Uw College hierbij mede, dat hij, gebruik makend van het recht, dat art. D6 van de Kieswet hem als kiezer geeft, zich verzet tegen de plaatsing op het kiesregister van M. A. Jansen, bisschop van Rotterdam. Dit verzet is gegrond op het feit, dat voornoemde M. A. Jansen zijn ambt van bisschop van de kerkprovincie Zuid-Holland heeft aanvaard zonder daartoe verlof te hebben gevraagd of verkregen van Hare Majesteit de Koningin, waardoor hij zijn Nederlanderschap en daarmede zijn kiesrecht heeft verloren. Het is ondergetekendes overtuiging, dat het aannemen van een benoeming tot bisschop der R.K. Kerk, ook betekent het zich begeven in vreemde staatsdienst, hetgeen, wanneer dit zonder koninklijk verlof geschiedt, krachtens art. 7 sub 4 van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, verlies van het Nederlanderschap ten gevolge heeft. Ter adstructie van zijn verzet, merkt adressant het navolgende op: Bij het Tractaat van Lateranen is de Vaticaanse Staat door het toenmalige Koninkrijk Italië als wereldlijke staat erkend; een erkenning, die kort daarop is gevolgd door het Koninkrijk der Nederlanden. Het hoofd van de Vaticaanse Staat, de heer Pacelli, geniet dan ook als bevriend staatshoofd hier te lande préséance en bescherming van onze wetgeving. Het voor ons land geldende beginsel van scheiding van Kerk en Staat geldt niet voor de Vaticaanse Staat. Dit komt o.a. tot uiting bij de geldmiddelen, die niet gescheiden zijn; bij het voeren van de vlag van de Vaticaanse staat; bij het verlenen van adeldom of onderscheidingstekenen. De bisschop legt, alvorens zijn ambt te aanvaarden, in handen van de Paus de eed van trouw aan deze af. Hij moet zich eens in de vijf jaar naar Rome begeven om aan de Paus rekenschap af te leggen van de wijze, waarop hij zijn diocees, zo in het kerkelijke, als in het wereldlijke, heeft bestuurd. Het eventuele argument, dat in de persoon van de heer Pacelli sprake zou zijn van een personele unie, gaat niet op, omdat scheiding van functies en van financiën in de Vaticaanse Staat en de R.K. Kerk niet bestaanbaar is of kan zijn. Adressant kan niet inzien, dat een Staat, die zich op kerkelijk gebied beweegt, een andere positie inneemt dan een Staat, die zich op politiek gebied beweegt. Niemand kan twee heren dienen, en dit is kennelijk het motief dat ten grondslag ligt aan art. 7 sub 4 van de Wet op het Nederlanderschap. De moeilijkheden treden vooral dan in het licht, wanneer verschil van wetgeving bestaat tussen de beide staten, die men wil dienen: het is de laatste tijd herhaaldelijk en ondubbelzinnig gebleken, dat het episcopaat in de kerkprovincie Nederland in cas van collisie tussen beide wetgevingen, de voorkeur geeft aan de wetgeving van de Vaticaanse Staat en R.K. Kerk, zoals die is neergelegd in de Codex Juris Canonici. Bij andersgelovenden geniet de Paus voor een niet gering deel zijn gezag en bescherming juist als wereldlijk vorst. Het is op vorenstaande gronden, dat adressant zich wendt tot Uw College met verzoek het kiesregister 1956 te verbeteren in dier voege, dat daarvan worde geschrapt de naam van M. A. Jansen, bisschop van Rotterdam. 't Welk doende, enz. (A. Dirkzwager). Rotterdam, 30 april 1956.

Update Date

April 27, 2026