Transcription
Een overpeinzing van Ab Dirkzwager, 9 mei 1966 .
Over Indische jongens gesproken.
Voor 1940 heb ik nooit iets gehoord over de huidskleur van onze tijdgenoten. Terwijl in Duitsland al de verderfelijke “Blut und Boden” filosofie in volle gang was. Ik zat op de H.B.S. in Leiden. Medeleerlingen waren John Baron Sloet van Oltruitenborgh en Wiesje Baronesse Sloet van Oltruitenborgh. Behoorlijk zwart. Het was een gevecht om op 3 oktober met Wiesje kermis te gaan vieren. Toen ik (in 1936) naar Java zou gaan, vroegen zij om hun ouders te bezoeken. Dat heb ik gedaan. Zij woonden aan de Zuid Smeroeweg, die Passaroean mat Malang verbond. Pa was een administrateur van een koffie-onderneming en moeder was een Chinese. In Indië kwam ik pas er achter, dat zo genaamde halfbloeden zich politiek hadden verenigd in het Indo-Europees Verbond en zetels hadden in de Volksraad, een min of meer parlement. Maar in ’t normale verkeer b.v. in de Sociëteit waren Indo’s en blanken gelijkwaardig bejegend. Maar zo ook in het Bestuur, in de Marine en in het KNIL. En in het krijgsgevangenschap, waar Indo’ s voor 30% deel van uitmaakten, hebben wij totoks (i.e. Nederlanders die voor het eerst in Indië kwamen) veel vriendschap en steun van hen ondervonden. Maar het “gemengde bloed” van de Nederlander heeft mij altijd blijven interesseren.
Over diegenen, die met Raffles in 1811 naar Java kwamen en daar gebleven zijn, zoals de Birnie’s, de Elty’s en de Loudon’s waren tot 1942 belangrijke familie’s in Nederlands Oost-Indië en ook in Nederland geworden.
Daarna de Snouck Hurgronje’s, met name de uit Zeeland afkomstige Christiaan (1857-1936) die niet van een Javaan te onderscheiden was. Hij was een Arabist en was als eerste Westerling, die drie jaar in Mekka verbleef. In 1906 werd hij hoogleraar in Leiden. Zijn zoon Albert was in de dertiger jaren van de vorige eeuw een goede voetballer in het elftal van HVV en had een donkere huidskleur. Na 10 jaar studeren aan de Rechten faculteit heeft hij zijn afstudeer-bul verworven. En weer daarna speelde in HVV de fabuleuze uitvinder van de “schaarbeweging” Lauwtje Adams op de rechtsbuiten plaats van het elftal. Toen het niet goed ging met zijn studie in Delft, werd hij door zijn op Java wonende ouders naar Zürich gestuurd. Vandaar speelde hij onder een nieuwe naam “Klein” in het Nederlands elftal. Zijn ouders hadden hem verboden om voor zijn afstuderen nog te voetballen. In 1940 is hij als gevolg van een hartverlamming op het voetbalveld in Surabaya overleden. Dan was er nog de Indische jongen Robert van Gulik. In 1935 studeerde hij in Leiden ”cum laude” af. Als auteur van zijn detective-verhalen over rechter Ti, die wereldwijd vertaald werden, schreef hij in het Chinees. Ik heb hem als Nederlands ambassadeur in Tokyo ontmoet. Zijn Chinese echtgenote ontmoette ik bij een gelegenheid met een aap op haar schouder. “And last but not least.” Een loot van het Zeeuwse van der Have geslacht (waar Albertine’s oom en oud ooms 99 jaar burgemeester in Oosterland geweest zijn) trouwde met een Sumatraanse Batakker Nasoetion. De vier zonen uit dit huwelijk zijn onze vrienden en ook van onze zonen.
"Hoe Adriana van der Have een belangrijke Indonesische werd", is een volgend verhaal.