Transcription
From: Aadje <djatirot@dds.nl>
to: Erik van Monsjou <monsjou@worldonline.nl>
Date: 12 november 1998 aan Erik van Monsjou
subject: the luncheon is ended, but the memory lingers on.
Beste Erik,
Als alle huishoudens via de computer aangesloten zouden zijn op het internet, dan is de postbode, net zo als de mijn werkers een uitstervend beroep. Mis jij de langsppeelplaat ook zo? Als je de foto's van het straatbeeld van voor de tweede wereldoorlog ziet, dan hadden alle mannen een hoed of een pet op; da's nu ook verdwenen. Wanneer verdwijnen de stropdassen uit het modebeeld? Ik deel dit kledingstuk niet in bij de categorie: "le superflu si nécessaire." Wel de lunch van gisteren !
Als dank stuur ik je twee citaten uit de briefwisseling van de componist Mathijs Vermeulen, die straat-arm was, met Thea Diepenbrock. Wat een rijkdom als je uit een alledaagse gebeurtenis als een bezoek aan je voorraadje aardappelen in een donkeren kelder, zo'n prachtige uitweiding en beschouwing kan geven.
Weet je wat de overeenkomst is tussen een kunstenaar en een varken? Beiden worden pas gewaardeerd na hun dood. Neem mijn advies nou te harte om na een werkzaamleven in de administratie van deze of gene administratie, kunstenaar te worden. VITA BREVIS, ARS LONGA. Ik zal toch de postbode gebruiken om je apart nog twee krantenknipsels te sturen over de participatie van de vrouw in het arbeidsproces en haar beloning.
Je groetend en nogmaals dankend voor de bevestiging dat je altijd een Rotterdammer blijft als er Maaswater door je aderen stroomt.
Twee citaten uit de briefwisseling van Mathijs Vermeulen (vanuit Louveciennes; Frankrijk) met Thea Diepenbrock (naar Amsterdam)
Twee citaten uit de briefwisseling van Matthijs Vermeulen (vanuit Louveciennes, Frankrijk) met Thea Diepenbrock (naar Amsterdam)
16 nov. 1945
Wanneer mijn licht me nu maar niet in de steek laat. (Er waren na de oorlog veel electiciteitsstoornissen: ADD) Te mooi om te duren zonder gehannes. Ik heb deze dagen pech gehad; dit komt er ook nog bij. Mijn pieren, die mij vertelden dat't voorlopig niet koud zou worden, hadden geen ongelijk. Maar toen ik mijn aardappelen inspecteerde, zag ik tot verbazing dat ze allemaal kleine, witte lootjes hadden. Zij waren aan 't uitschieten. Ik heb daarover een vergrijsde, reumatische technicus geraadpleegd die me zei dat 't een ramp was, dat alles bedierf, ook zijn confituren, en ingemaakte vlees, en dat het lag aan de zachte temperatuur, en dat ik mijn aardappelen, als ik ervan eten wou, moest 'dégermer', één voor één. Wij hebben daar geen woord voor. De lootjes, van de spruitjes ontdoen! Ik bracht dus reeds menig uur door in mijn donkere kelder, bezig een geest te smoren die zich in de seizoenen vergist heeft. Zag je ooit iets stommers en lompers dan een rauwe aardappel? Daar huist een 'Princiep van Leven' in. We weten niet hoe of waar. We kunnen het niet gissen.
Zullen we ooit zo'n lummelige aardappel kunnen fabriceren, die leeft, en die wanneer de temperatuur zoel is, begint te verlangen, in zijn binnenste, naar het licht? Zo daasde ik in mijn kelder, dat leven verwoestend, tegen mijn zin in. Nog een beetje, en elke knullige, onbehouwen aardappel werd een figuratie van de universele Eros, die was in de Aanvang!
En ik ben nog niet op de helft. Ik moet ze allemaal ontzielen één voor één.
24 nov. 1945
Per slot heb ik een bezoek afgelegd in het onderaardse hol mijner revolutionaire patatten en nieuw gewaarwordingen opgedaan Want verbeeld je: in dezelfde hoop, van dezelfde soort, onder dezelfde atmosferische omstandigheden variërende spruiten van twee millimeter tot vijf centimeter, en sommige zelfs hebben géén spruiten. Ik kon niet anders doen, na enig overleg, dan daar concluderen dat onder die knullen van aardappelen de individuen verdeeld zijn in temperamentvolle en slome duikelaars, in voortvarenden en laksen, en dat zelfs onder hen volmaakte nullen bevinden. Geen gelijkheid dus, noch fysische, noch psychische, ook niet bij kartoffels. En ik had grote lust om de inégaliteit te verheffen tot een der grote natuurwetten.